Logopedie Dillen

Stoornissen: Wat doen wij?



Logopedie is een paramedisch beroep dat zich bezig houdt met de preventie, het onderzoek en de behandeling van beperkingen en stoornissen op het gebied van spraak en taal. Ook problemen binnen de voorwaarden voor een goede spraak en taal vallen hieronder, zoals afwijkende mondgewoonten. Een individuele aanpak van elk kind/elke volwassene staat voorop waarbij het therapieverloop aangepast wordt aan hun mogelijkheden en behoeften.


Sommige kinderen ondervinden moeilijkheden op school met lezen, spellen en/of rekenen. Bij de meeste kinderen gaat het over een achterstand die weer ingehaald kan worden. Bij andere kinderen blijven deze problemen hardnekkig voortduren, ook na intensieve begeleiding. We spreken dan over een leerstoornis (dyslexie, dysorthografie en dyscalculie).

Wanneer er sprake is van een leerachterstand, kan dit probleem verholpen worden door middel van logopedische behandeling. We bepalen nauwkeurig het startniveau van de leerling en van daaruit vertrekken we met intensieve remediëring op maat. Het doel is dat de leerling uiteindelijk zijn achterstand wegwerkt en het schoolse aanbod opnieuw vlot kan volgen.

Als de moeilijkheden na intensieve begeleiding echter hardnekkig blijken te zijn, spreken we over een leerstoornis. Primaire leerstoornissen komen voor bij 5 à 10% van de kinderen. Er is dan geen aanwijsbare oorzaak voor de moeilijkheden zoals een verminderde intelligentie, een aandachtsprobleem, een gehoorprobleem of slechtziendheid. Als er wel een onderliggend probleem is waarvan de leerstoornis een gevolg is, spreken we over secundaire leerstoornissen.
Bij dyslexie en dysorthografie heeft het kind problemen met het omzetten van geschreven taal naar spraak (lezen), maar ook het omzetten van gesproken taal in geschreven taal (spellen) verloopt moeilijk. Er zijn hardnekkige tekorten op het vlak van leessnelheid en/of accuraatheid van lezen en/of op het gebied van het leren spellen. Ook kunnen kinderen problemen hebben met leesbegrip. Bij rekenstoornissen of dyscalculie hebben kinderen moeilijkheden bij één of meerdere rekenvaardigheden zoals hoofdrekenen, getallenkennis, metend rekenen,...

Het onderzoek en de behandeling van deze moeilijkheden behoort tot ons beroepsdomein. Met specifieke tests wordt de snelheid en correctheid van het lezen, schrijven en rekenen en vooral de wijze waarop dit gebeurt, onderzocht. De school wordt gecontacteerd om de leergeschiedenis te kunnen bekijken (Leerlingvolgsysteem). Indien nodig bekijken we ook de voorwaarden voor leren lezen, spellen en rekenen dewelke intensief geoefend worden in de kleuterschool.

Als de diagnose van een specifieke leerstoornis op termijn wordt gesteld, kan er in overleg met ouders en school een gemotiveerd verslag met STICORDI-maatregelen worden opgesteld.

De taalontwikkeling verloopt volgens verschillende fases. Bij een aantal kinderen kent deze ontwikkeling een vertraagd of afwijkend verloop. Een vertraagde taalontwikkeling kan mits een goede begeleiding verholpen worden. Logopedisten spreken in het geval van een afwijkend verloop van ontwikkelingsdysfasie of een primaire taalontwikkelingsstoornis. De stoornis kan zowel de ontwikkeling van de taalvorm (verbuigingen en vervoegingen en de zinsbouw), de taalinhoud (woordenschat) als het taalgebruik treffen. Als de taal zich niet normaal ontwikkelt ten gevolge een verstandelijke beperking, een gehoorstoornis,.... spreken we van een secundaire taalontwikkelingsstoornis.

Bij een taalontwikkelingsstoornis kunnen zich zowel problemen voordoen in het begrijpen als het spreken.

  • Bij problemen met het begrijpen van taal hebben kinderen bijvoorbeeld problemen met:
  • Het begrijpen van gebaren op jonge leeftijd
  • Het aanwijzen van voorwerpen en plaatjes
  • Het uitvoeren van opdrachten en het volgen van aanwijzingen
  • Het beantwoorden van vragen
  • Het gepast reageren tijdens een gesprek

Problemen in het spreken kunnen betrekking hebben op de taalvorm, de taalinhoud en/of het taalgebruik. Er is sprake van:

  • Korte en grammaticaal onjuiste zinnen
  • Moeite met woordvorming
  • Een beperkte woordenschat
  • Woordvindingsproblemen
  • Moeite met beurtnemen
  • Problemen met oogcontact nemen in gesprekssituaties

Wij onderzoeken de taalontwikkeling van het kind zorgvuldig. Indien nodig wordt een aangepaste behandeling voorgesteld. Ook informeren we de ouders hoe ze de taalontwikkeling zo goed mogelijk kunnen stimuleren. De diagnose taalontwikkelingsstoornis kan pas gesteld worden als de taalproblemen hardnekkig blijven voortduren ondanks intensieve begeleiding.

Stotteren is een spraakstoornis waarbij er zich ongewild en onvrijwillig onderbrekingen voordoen van de spreekbewegingen. Bovendien doen zich op de stottermomenten dikwijls ook bijkomende gespannen bewegingen voor. Die zijn soms zichtbaar onder de vorm van gelaatstrekken, bewegingen met het hoofd, ledematen of handen en voeten.
Stotteren is een stoornis in het vloeiende verloop van de spreekbeweging. Stotteren kan zich uiten in het herhalen van klanken of woorddelen, het aanhouden van klanken of het blokkeren bij het op gang komen van de stemgeving en de articulatie. Bijvoorbeeld: ‘I-i-i-ik’, ‘wa-wa-want’, ‘vvvvandaag’ en ‘k.om’. Naarmate de stoornis ernstiger wordt, treden secundaire gedragingen op. We zien dan bijvoorbeeld negatieve emotionele en cognitieve reacties. Deze kunnen resulteren in spreekangst en vermijdingsgedrag.

Genetische factoren en prenatale biologische processen maken dat een kind de aanleg kan vertonen om te gaan stotteren wat er gebeurt bij ongeveer drie op honderd van de nieuwgeboren kinderen. Het begint op heel jonge leeftijd, gewoonlijk tussen 2 en 5 jaar. Het ontstaat meestal geleidelijk, maar het kan ook plots, als het ware van dag op dag. Dikwijls verloopt de ernst van deze spraakstoornis wisselvallig. Bij vermoeidheid en onder emotie (opwinding) neemt de ernst doorgaans toe.

Gemiddeld beschouwd, herstelt het stotteren zich bij een derde van de jonge kinderen. Bij een ander deel ontwikkelt het zich tot een lastig probleem. Het stotteren hindert het kind dan sterk en belemmert de communicatie.
Vroegtijdig ingrijpen is cruciaal om stotteren niet te laten evolueren tot een handicap. Tijdens het klinisch onderzoek nemen wij een gestructureerd interview af en nemen we een spreekstaal op dat achteraf geanalyseerd wordt om de stotterernst te bepalen. De spreekattitude wordt nagegaan en de mentale, emotionele en spreekmotorische hinder en uitlokkende factoren worden geanalyseerd.

Als een kind of een volwassene stottert, blijken een aantal reacties op termijn nadelig te zijn. Wij geven hieronder dan ook een aantal tips om de verdere ontwikkeling van het stotteren tegen te gaan en alzo het spreken van uw kind te vergemakkelijken:

  • Probeer geen druk te leggen op het spreken (vraag niet om woorden of zinnen na te zeggen en dwing uw kind niet om te praten)
  • Toon geduld – probeer te blijven wachten en kijk uw kind rustig aan wanneer het even stottert, net zoals u doet wanneer het niet stottert.
  • Laat uw kind het zelf zeggen – ook wanneer dat wat moeilijk gaat.
  • Neem de tijd om tijdens een spelactiviteit bij uw kind te gaan zitten en samen te spelen. Op dat moment kan je rustig verwoorden wat hij/zij aan het doen is en waar hij/zij je aandacht op vestigt. Probeer zelf niet te snel of onrustig te praten.
  • Laat adviezen weg over hoe te spreken (dus niet: rustig zijn, praat trager, adem goed, begin opnieuw, denk eerst na, …)
  • Ga geen haperingen en onvloeiendheden aanwijzen tijdens het spreken (dus niet: dat was niet goed verteld, nu kan je het wel, …)
  • Probeer gehaastheid, drukte en lawaai te verminderen in spreeksituaties (beurtwisseling respecteren, ochtenddrukte vermijden, …)
  • Probeer zintuiglijke overweldiging te beperken of te ontlopen (wat kan optreden bij bepaalde films, toneelstukken, drukte in een grote klas, …)

Een articulatiestoornis kan omschreven worden als het niet of verkeerd uitspreken van een bepaalde klank, van meerdere klanken of van klankverbindingen. Vaak gaat het kind spraakklanken weglaten, vervangen, vervormen of een extra spraakklank toevoegen. Dit kan in sommige gevallen leiden tot ernstige onverstaanbaarheid.

De spraakontwikkeling verloopt volgens een bepaald patroon en is ongeveer rond het vijfde levensjaar voltooid. Alle klanken en klankverbindingen kunnen dan gebruikt worden, wel kunnen er nog problemen zijn in de uitspraak van moeilijke woorden.

Bij een fonetische articulatiestoornis kan het kind de klank wel produceren maar wordt deze vervormd omdat het technisch te moeilijk is. Voorbeelden van fonetische articulatiestoornissen zijn een schraperige [r], het slissen bij [s] en [z],... . In therapie zullen we auditieve/visuele oefeningen geven om het onderscheid tussen de foutieve en correcte productie te herkennen. Stap voor stap wordt de correcte productie van de klank ingeoefend.

Er kan ook sprake zijn van een vertraagde fonologische ontwikkeling of een fonologische stoornis. Tijdens de normale ontwikkeling maken kinderen gebruik van enkele vereenvoudigingsprocessen. Ze zullen bepaalde klanken en/of woorden vereenvoudigen omdat de volwassen uiting nog te moeilijk is. Zo kunnen ze eindmedeklinkers weglaten (vb. ba i.p.v. bal), klanken in medeklinkerverbindingen weglaten (vb. top i.p.v. stop), de /t/ en de /k/ verwisselen (vb. tameel i.p.v. kameel), … Deze processen verdwijnen na een bepaalde leeftijd maar sommige kinderen blijven dit hardnekkig toepassen. Ze gebruiken fonologische processen die op hun leeftijd reeds verdwenen moeten zijn. Het kind is dan beduidend minder verstaanbaar dan leeftijdsgenootjes. Op basis van een grondig onderzoek stellen wij een behandelplan op.

Myofunctionele stoornissen zijn afwijkende mondgewoonten zoals duimzuigen, habitueel mond-ademen en foutief slikken. Die stoornissen kunnen een foutieve tongligging veroorzaken. Daardoor wordt de articulatie vaak verstoord. Daarnaast kunnen afwijkende mondgewoonten ook kaak- en gebitsafwijkingen in de hand werken. Een orthodontische aanpassing heeft ten volle nut als deze verkeerde mondgewoonten ook opgelost worden.

Duimzuigen is de frequentst voorkomende en meest problematische zuiggewoonte. Normaal neemt deze zuigbehoefte tegen het einde van het eerste levensjaar af en verdwijnt het. Tijdens het duim- of speenzuigen ligt de tong niet in haar normale positie tegen de bovenste tandboog, maar wordt ze in een lage ligging gedwongen en ontstaat er vaak een tongpersgewoonte. Wanneer de duim of speen niet in de mond is, hangt de mond meestal open en verslappen de lipspieren. Het is belangrijk dat zuiggewoonten verdwenen zijn voor de tandenwissel aanvangt

Habitueel mondademen is de gewoonte om een deel van de ademlucht door de mond in te ademen, terwijl de neus voldoende doorgankelijk is. De gevolgen van mondademen en open mondgedrag zijn talrijk. Er kunnen problemen zijn met de tonghouding in rust, het slikken, de morfologie van boven- en onderkaak, het hard gehemelte, de tandenstand, de tonus van de neusvleugels, de lichaamshouding, de algemene tonus en de articulatie.

Bij infantiel slikken zien we dat de tongpunt tegen of tussen de tanden of lippen ligt en dat er een teveel of te weinig spanning is in de spieren die betrokken zijn bij het kauwen en slikken. Door het ontbreken van de druk van de tong tegen de tandboog kan het verhemelte niet in de breedte uitgroeien, waardoor dit een negatieve invloed uitoefent op de ontwikkeling van kaak- en gebitstructuren. Op het moment dat de tandenwissel aanvangt, moeten deze stoornissen zijn weggewerkt. Op die manier kunnen orthodontische behandelingen vermeden worden.

Men spreekt van een goede tongplaatsing in rust wanneer de tong licht aangezogen is tegen het verhemelte en rust op of tegen de bovenste tandboog. Bij een foutieve tongplaatsing in rust ligt de tong tegen het slijmvlies van de onderlip of op de mondbodem.

Wij richten ons in eerste instantie op het opsporen en aanpakken van de mogelijke oorzaken. Daarnaast zal vaak via gedragstherapeutische aanpak geprobeerd worden om de negatieve gewoonten te doen verdwijnen en het gewenste gedrag te laten toenemen. Ook de articulatieproblemen die vaak geassocieerd zijn aan deze schadelijke mondgewoonten, zullen aangepakt worden. Vaak gaat het om interdentale (tussentandse) of addentale (tegentandse) productie van o.m. de [s], [z], [t], [d], [n] en [l].



Logopedie is een paramedisch beroep dat zich bezig houdt met de preventie, het onderzoek en de behandeling van beperkingen en stoornissen op het gebied van spraak en taal. Ook problemen binnen de voorwaarden voor een goede spraak en taal vallen hieronder, zoals afwijkende mondgewoonten. Een individuele aanpak van elk kind/elke volwassene staat voorop waarbij het therapieverloop aangepast wordt aan hun mogelijkheden en behoeften.


Leermoeilijkheden of leerstoornissen


Sommige kinderen ondervinden moeilijkheden op school met lezen, spellen en/of rekenen. Bij de meeste kinderen gaat het over een achterstand die weer ingehaald kan worden. Bij andere kinderen blijven deze problemen hardnekkig voortduren, ook na intensieve begeleiding. We spreken dan over een leerstoornis (dyslexie, dysorthografie en dyscalculie).
Wanneer er sprake is van een leerachterstand, kan dit probleem verholpen worden door middel van logopedische behandeling. We bepalen nauwkeurig het startniveau van de leerling en van daaruit vertrekken we met intensieve remediëring op maat. Het doel is dat de leerling uiteindelijk zijn achterstand wegwerkt en het schoolse aanbod opnieuw vlot kan volgen.

Als de moeilijkheden na intensieve begeleiding echter hardnekkig blijken te zijn, spreken we over een leerstoornis. Primaire leerstoornissen komen voor bij 5 à 10% van de kinderen. Er is dan geen aanwijsbare oorzaak voor de moeilijkheden zoals een verminderde intelligentie, een aandachtsprobleem, een gehoorprobleem of slechtziendheid. Als er wel een onderliggend probleem is waarvan de leerstoornis een gevolg is, spreken we over secundaire leerstoornissen.

Bij dyslexie en dysorthografie heeft het kind problemen met het omzetten van geschreven taal naar spraak (lezen), maar ook het omzetten van gesproken taal in geschreven taal (spellen) verloopt moeilijk. Er zijn hardnekkige tekorten op het vlak van leessnelheid en/of accuraatheid van lezen en/of op het gebied van het leren spellen. Ook kunnen kinderen problemen hebben met leesbegrip. Bij rekenstoornissen of dyscalculie hebben kinderen moeilijkheden bij één of meerdere rekenvaardigheden zoals hoofdrekenen, getallenkennis, metend rekenen,....
Het onderzoek en de behandeling van deze moeilijkheden behoort tot ons beroepsdomein. Met specifieke tests wordt de snelheid en correctheid van het lezen, schrijven en rekenen en vooral de wijze waarop dit gebeurt, onderzocht. De school wordt gecontacteerd om de leergeschiedenis te kunnen bekijken (Leerlingvolgsysteem). Indien nodig bekijken we ook de voorwaarden voor leren lezen, spellen en rekenen dewelke intensief geoefend worden in de kleuterschool.
Als de diagnose van een specifieke leerstoornis op termijn wordt gesteld, kan er in overleg met ouders en school een gemotiveerd verslag met maatregelen worden opgesteld.

Taalstoornissen


De taalontwikkeling verloopt volgens verschillende fases. Bij een aantal kinderen kent deze ontwikkeling een vertraagd of afwijkend verloop. Een vertraagde taalontwikkeling kan mits een goede begeleiding verholpen worden. Logopedisten spreken in het geval van een afwijkend verloop van ontwikkelingsdysfasie of een primaire taalontwikkelingsstoornis. De stoornis kan zowel de ontwikkeling van de taalvorm (verbuigingen en vervoegingen en de zinsbouw), de taalinhoud (woordenschat) als het taalgebruik treffen. Als de taal zich niet normaal ontwikkelt ten gevolge een verstandelijke beperking, een gehoorstoornis,.... spreken we van een secundaire taalontwikkelingsstoornis.

Bij een taalontwikkelingsstoornis kunnen zich zowel problemen voordoen in het begrijpen als het spreken.

Bij problemen met het begrijpen van taal hebben kinderen bijvoorbeeld problemen met:
- Het begrijpen van gebaren op jonge leeftijd
- Het aanwijzen van voorwerpen en plaatjes
- Het uitvoeren van opdrachten en het volgen van aanwijzingen
- Het beantwoorden van vragen
- Het gepast reageren tijdens een gesprek
- …

Problemen in het spreken kunnen betrekking hebben op de taalvorm, de taalinhoud en/of het taalgebruik. Er is sprake van:
- Korte en grammaticaal onjuiste zinnen
- Moeite met woordvorming
- Een beperkte woordenschat
- Woordvindingsproblemen
- Moeite met beurtnemen
- Problemen met oogcontact nemen in gesprekssituaties
- …

Wij onderzoeken de taalontwikkeling van het kind zorgvuldig. Indien nodig wordt een aangepaste behandeling voorgesteld. Ook informeren we de ouders hoe ze de taalontwikkeling zo goed mogelijk kunnen stimuleren. De diagnose taalontwikkelingsstoornis kan pas gesteld worden als de taalproblemen hardnekkig blijven voortduren ondanks intensieve begeleiding.

Stotteren


Stotteren is een spraakstoornis waarbij er zich ongewild en onvrijwillig onderbrekingen voordoen van de spreekbewegingen. Bovendien doen zich op de stottermomenten dikwijls ook bijkomende gespannen bewegingen voor. Die zijn soms zichtbaar onder de vorm van gelaatstrekken, bewegingen met het hoofd, ledematen of handen en voeten.
Stotteren is een stoornis in het vloeiende verloop van de spreekbeweging. Stotteren kan zich uiten in het herhalen van klanken of woorddelen, het aanhouden van klanken of het blokkeren bij het op gang komen van de stemgeving en de articulatie. Bijvoorbeeld: ‘I-i-i-ik’, ‘wa-wa-want’, ‘vvvvandaag’ en ‘k.om’. Naarmate de stoornis ernstiger wordt, treden secundaire gedragingen op. We zien dan bijvoorbeeld negatieve emotionele en cognitieve reacties. Deze kunnen resulteren in spreekangst en vermijdingsgedrag.

Genetische factoren en prenatale biologische processen maken dat een kind de aanleg kan vertonen om te gaan stotteren wat er gebeurt bij ongeveer drie op honderd van de nieuwgeboren kinderen. Het begint op heel jonge leeftijd, gewoonlijk tussen 2 en 5 jaar. Het ontstaat meestal geleidelijk, maar het kan ook plots, als het ware van dag op dag. Dikwijls verloopt de ernst van deze spraakstoornis wisselvallig. Bij vermoeidheid en onder emotie (opwinding) neemt de ernst doorgaans toe.

Gemiddeld beschouwd, herstelt het stotteren zich bij een derde van de jonge kinderen. Bij een ander deel ontwikkelt het zich tot een lastig probleem. Het stotteren hindert het kind dan sterk en belemmert de communicatie.
Vroegtijdig ingrijpen is cruciaal om stotteren niet te laten evolueren tot een handicap. Tijdens het klinisch onderzoek nemen wij een gestructureerd interview af en nemen we een spreekstaal op dat achteraf geanalyseerd wordt om de stotterernst te bepalen. De spreekattitude wordt nagegaan en de mentale, emotionele en spreekmotorische hinder en uitlokkende factoren worden geanalyseerd.

Als een kind of een volwassene stottert, blijken een aantal reacties op termijn nadelig te zijn. Wij geven hieronder dan ook een aantal tips om de verdere ontwikkeling van het stotteren tegen te gaan en alzo het spreken van uw kind te vergemakkelijken:

- Probeer geen druk te leggen op het spreken (vraag niet om woorden of zinnen na te zeggen en dwing uw kind niet om te praten)
- Toon geduld – probeer te blijven wachten en kijk uw kind rustig aan wanneer het even stottert, net zoals u doet wanneer het niet stottert.
- Laat uw kind het zelf zeggen – ook wanneer dat wat moeilijk gaat.
- Neem de tijd om tijdens een spelactiviteit bij uw kind te gaan zitten en samen te spelen. Op dat moment kan je rustig verwoorden wat hij/zij aan het doen is en waar hij/zij je aandacht op vestigt. Probeer zelf niet te snel of onrustig te praten.
- Laat adviezen weg over hoe te spreken (dus niet: rustig zijn, praat trager, adem goed, begin opnieuw, denk eerst na, …)
- Ga geen haperingen en onvloeiendheden aanwijzen tijdens het spreken (dus niet: dat was niet goed verteld, nu kan je het wel, …)
- Probeer gehaastheid, drukte en lawaai te verminderen in spreeksituaties (beurtwisseling respecteren, ochtenddrukte vermijden, …)
- Probeer zintuiglijke overweldiging te beperken of te ontlopen (wat kan optreden bij bepaalde films, toneelstukken, drukte in een grote klas, …)

Articulatiestoornissen


Een articulatiestoornis kan omschreven worden als het niet of verkeerd uitspreken van een bepaalde klank, van meerdere klanken of van klankverbindingen. Vaak gaat het kind spraakklanken weglaten, vervangen, vervormen of een extra spraakklank toevoegen. Dit kan in sommige gevallen leiden tot ernstige onverstaanbaarheid.
De spraakontwikkeling verloopt volgens een bepaald patroon en is ongeveer rond het vijfde levensjaar voltooid. Alle klanken en klankverbindingen kunnen dan gebruikt worden, wel kunnen er nog problemen zijn in de uitspraak van moeilijke woorden.

Bij een fonetische articulatiestoornis kan het kind de klank wel produceren maar wordt deze vervormd omdat het technisch te moeilijk is. Voorbeelden van fonetische articulatiestoornissen zijn een schraperige [r], het slissen bij [s] en [z],... . In therapie zullen we auditieve/visuele oefeningen geven om het onderscheid tussen de foutieve en correcte productie te herkennen. Stap voor stap wordt de correcte productie van de klank ingeoefend.

Er kan ook sprake zijn van een vertraagde fonologische ontwikkeling of een fonologische stoornis. Tijdens de normale ontwikkeling maken kinderen gebruik van enkele vereenvoudigingsprocessen. Ze zullen bepaalde klanken en/of woorden vereenvoudigen omdat de volwassen uiting nog te moeilijk is. Zo kunnen ze eindmedeklinkers weglaten (vb. ba i.p.v. bal), klanken in medeklinkerverbindingen weglaten (vb. top i.p.v. stop), de /t/ en de /k/ verwisselen (vb. tameel i.p.v. kameel), …

Deze processen verdwijnen na een bepaalde leeftijd maar sommige kinderen blijven dit hardnekkig toepassen. Ze gebruiken fonologische processen die op hun leeftijd reeds verdwenen moeten zijn. Het kind is dan beduidend minder verstaanbaar dan leeftijdsgenootjes. Op basis van een grondig onderzoek stellen wij een behandelplan op.

Myofunctionele stoornissen


Myofunctionele stoornissen zijn afwijkende mondgewoonten zoals duimzuigen, habitueel mond-ademen en foutief slikken. Die stoornissen kunnen een foutieve tongligging veroorzaken. Daardoor wordt de articulatie vaak verstoord. Daarnaast kunnen afwijkende mondgewoonten ook kaak- en gebitsafwijkingen in de hand werken. Een orthodontische aanpassing heeft ten volle nut als deze verkeerde mondgewoonten ook opgelost worden.
Duimzuigen is de frequentst voorkomende en meest problematische zuiggewoonte. Normaal neemt deze zuigbehoefte tegen het einde van het eerste levensjaar af en verdwijnt het. Tijdens het duim- of speenzuigen ligt de tong niet in haar normale positie tegen de bovenste tandboog, maar wordt ze in een lage ligging gedwongen en ontstaat er vaak een tongpersgewoonte. Wanneer de duim of speen niet in de mond is, hangt de mond meestal open en verslappen de lipspieren. Het is belangrijk dat zuiggewoonten verdwenen zijn voor de tandenwissel aanvangt.

Habitueel mondademen is de gewoonte om een deel van de ademlucht door de mond in te ademen, terwijl de neus voldoende doorgankelijk is. De gevolgen van mondademen en open mondgedrag zijn talrijk. Er kunnen problemen zijn met de tonghouding in rust, het slikken, de morfologie van boven- en onderkaak, het hard gehemelte, de tandenstand, de tonus van de neusvleugels, de lichaamshouding, de algemene tonus en de articulatie.

Bij infantiel slikken zien we dat de tongpunt tegen of tussen de tanden of lippen ligt en dat er een teveel of te weinig spanning is in de spieren die betrokken zijn bij het kauwen en slikken. Door het ontbreken van de druk van de tong tegen de tandboog kan het verhemelte niet in de breedte uitgroeien, waardoor dit een negatieve invloed uitoefent op de ontwikkeling van kaak- en gebitstructuren. Op het moment dat de tandenwissel aanvangt, moeten deze stoornissen zijn weggewerkt. Op die manier kunnen orthodontische behandelingen vermeden worden.
Men spreekt van een goede tongplaatsing in rust wanneer de tong licht aangezogen is tegen het verhemelte en rust op of tegen de bovenste tandboog. Bij een foutieve tongplaatsing in rust ligt de tong tegen het slijmvlies van de onderlip of op de mondbodem.

Wij richten ons in eerste instantie op het opsporen en aanpakken van de mogelijke oorzaken. Daarnaast zal vaak via gedragstherapeutische aanpak geprobeerd worden om de negatieve gewoonten te doen verdwijnen en het gewenste gedrag te laten toenemen. Ook de articulatieproblemen die vaak geassocieerd zijn aan deze schadelijke mondgewoonten, zullen aangepakt worden. Vaak gaat het om interdentale (tussentandse) of addentale (tegentandse) productie van o.m. de [s], [z], [t], [d], [n] en [l].

“ We kunnen niet van alle kinderen sterren maken,
maar we kunnen ze wel allemaal laten schitteren! ”